
“Wat wil je voor jouw verjaardag hebben mam?” driepaar ogen kijken Tine vol verwachting aan. “Het mag best iets spectaculaires zijn hoor! Een Ballonvaart ofzo…… 80 jaar is niet niks!”
Voorzichtig balancerend tussen de rotan sofa en de glazen salontafel loopt Tine zonder iets te zeggen naar het buffet in de hoek van haar poppenhuisje in Jakarta. Met tedere vingers pakt ze het fotolijstje op die daar als een relikwie prijkt. 10 mei 1940 staat er boven. De eerste foto van Bram en zij samen. Waren zij dat echt? Deze twee jonge mensen die serieus de camera inkeken? Voorzichtig legt ze de foto terug.
10 mei 1940…. Nooit zal ze die dag vergeten. Pa die zo blij was dat Bram en zij verkering hadden. Ze kregen zelfs toestemming om naar de fotograaf te gaan. Met zorg had ze haar beste jurk gewassen. Greta had haar haar ketting en broche geleend. Ze vond zelf dat ze er netjes uitzag. Maar waar bleef Bram nou? Niets voor hem om niet op tijd te komen. Achter haar hoort ze opeens vlugge voetstappen. Blij draait ze zich om.
“Tine, ik kan nu niet weg!!” Verstijfd kijkt ze naar Bram's ontredderd gezicht… “Pa huilt! De Duitsers zijn Nederland binnengevallen. Ik kan Pa niet alleen laten.” Hij draait zich tegelijk om. Zijn voetstappen klinken hol op de betonnen vloer van het meisjestehuis.
Als verlamd kijkt ze hem na totdat hij achter de gigantische houten deur van het jongenstehuis verdwijnt. Verward loopt Tine terug naar de grote slaapzaal met de 90 slaapkribben.
“Waarom ben je nog niet weg?” nieuwsgierig komt Greta op haar af. Moedeloos haalt Tine haar schouders op. “Het is oorlog in Nederland. Pa huilt” zegt ze zachtjes. Pa huilt……… als een bange kreet galmt het door het hele weeshuis met z'n 1100 kinderen. Zelfs de kleintjes die meestal zoveel herrie maken, lopen er beduusd bij.
Als filmflitsen ziet ze de maanden voorbijgaan. Japan die niet lang daarna ook Indie bezette. Haar aanhoudende angst voor de Japanners. Ze wist dat Bram elke dag informatie aan Pa doorgaf over het wereldgebeuren die hij op een illegale radio met andere jongens afluisterde. Iedereen had zijn radio moeten inleveren. Weer voelt ze die machteloze woede toen de eigenaar van de radio, een jonge knul van 19 jaar door de Kempetai gepakt werd. Kokhalsend hebben alle jongens erbij gestaan toen de in rood-wit-blauw gewikkelde figuur uit volle borst schreeuwde “Leve de koningen” voordat de vlijmscherpe samurei met één slag zijn hoofd van zijn lichaam scheidde. Nachten had ze wakker gelegen. Ze was blij toen Pa Bram terugstuurde naar Jakarta om zijn rechtenstudie weer op te pakken. Weg van Magelang waar het weeshuis met zoveel puberjongens door de Jappen in de gaten werd gehouden.
Tot de dag dat ook Pa gevangen werd genomen. Ze wilden weten waar Pa het geld vandaan haalde om 1100 kinderen te eten te geven. De Kempetai had snel genoeg in de gaten dat ze eerder het hoofd van deze koppige man konden afhakken dan dat ze hem tot praten konden dwingen. Ze moesten het via één van zijn kinderen doen.
“Bram! Blijf weg uit Magelang! Je wordt gezocht!” via Tom, een broer van Bram, kon ze een briefje meesmokkelen. Diep in haar hart wist ze dat wegblijven niets voor Bram was. Vooral als hij zou horen dat Pa vrij komt als hij zich zou melden. Twee dagen later zag ze hem terug. Naast blijdschap was er die aanhoudende angst voor zijn leven. “Je had niet moeten komen” zei ze.
Hij haalde zijn schouders op “Ik kan alleen zeggen wat ik weet. Pa schreef altijd: “De linkerhand hoeft niet te weten wat de rechterhand geeft.” Ze had haar hoofd afgewend zodat hij haar angst niet zag. “Over een paar dagen ben ik terug” zei hij zachtjes. Ze keek hem na toen hij zich omdraaide richting politiekantoor. Haar verlammende angst toen hij niet terug kwam. Nooit zal ze die martelgang naar de gevangenis vergeten als ze probeerde nieuws over Bram te krijgen. Voor een portie witte rijst met een gebakken ei wist één van de bewakers haar te vertellen dat ze Bram probeerden te martelen maar dat hij nog steeds niets heeft losgelaten. Haar blijdschap toen ze hem tenslotte toch vrij lieten! Waarschijnlijk om hem in de val te lokken en zijn doen en laten te schaduwen.
In haar herinnering bleef de oorlog maar voortduren. Alle mannen en vrouwen boven de 17 jaar kregen het bevel om zich te registeren. Japan had mankracht nodig. Niemand wilde weg uit het weeshuis. De grote meisjes waren bang dat ze als troostmeisjes zouden worden gebruikt.
Weer hoort ze die krakende stem van tante Riek, de directrice. “Meisjes, er is dag en nacht bewaking van onze jongens op dit terrein. Zodra jullie hun horen fluiten, klim meteen door het achterraam de tuin in, door de casave tuinen totdat jullie de boomgaard bereiken. Blijf daar wachten totdat de kust weer vrij is en iemand jullie komt ophalen.” Als met lood in de schoenen hebben ze de vlucht keer op keer gerepeteerd. Die totale verlamming toen de deur tijdens etenstijd met een ruk openging. De groep Japanse militairen die de eetzaal binnenstormden… Alleen de afgemeten stem van de oude directrice dwong bij hen misschien nog een beetje respect af. Het gevoel van solidariteit toen de grotere jongens het meisjeshuis binnenrenden. Ze zouden hun leven hebben gegeven als een Japanner één van hen een haar had gekrenkt. Alle volwassen meisjes werden toch geregistreerd om de volgende dag op transport te gaan.
Huilend vielen ze elkaar om de hals. Niemand wist wat er met hun zou gebeuren. Weer ziet ze die houding van Bram die zonder een spier te verrekken met één ferme streek haar naam van de lijst wegschrapte. Ze ging daarna onmiddelijk weg uit het weeshuis… Al haar liefde kon ze kwijt aan Hansje, het jongetje waar ze als kindermeisje op moest passen.
Augustus 1945…… het geschreeuw vroeg in de ochtend was oorverdovend. Iedereen rende de straat op. Met open mond zagen ze dat alle Japanse vlaggen uit het straatbeeld waren verdwenen. In plaats daarvan wapperde nu de rood witte vlag. Waar was in hemelsnaam de rood-wit-blauwe vlag gebleven?. Iedereen was in de war. Niemand wist wie vriend of vijand was. Magelang het eens zo vredige stadje werd op een gegeven moment aan alle kanten beschoten. Vrouwen en kinderen vluchten de Sumbing berg op. Ze herinnert zich de behulpzaamheid van de desa bewoners hoog in de bergen. Alleen op het hoofd van de desa na, die zonder mis te verstane woorden te kennen gaf dat hij haar graag wilde hebben voor zijn zoon. Ze griezelt nog als ze aan zijn tandenloze grijns denkt. Gelukkig dat tante Neeltje zich als een kloek over haar had ontfermd. Lieve tante Neeltje… het was alsof ze haar moeder terughad.
De oorlog die tenslotte toch voorbij ging! Pa, die na 3 interneringsjaren eindelijk weer thuis kwam. Je kon een speld horen vallen toen de auto met Pa het terrein opreed. Alle 1100 kinderen zagen met een brok in hun keel hoe hun Pa naar binnen werd gedragen. Het allesoverheersende verdriet toen Pa na 12 dagen toch stierf. Hij die zoveel kinderen te eten heeft gegeven, stierf tenslotte zelf aan hongeroedeem.
Haar huwelijk meteen na de bevrijding. Glimlachend ziet ze haar bruidsmeisjes weer voor zich. Een grote strik op hun bijna kaalgeschoren hoofd. In wijde weeshuisjurken en op gympies. Je had nu eenmaal niets anders in die tijd. Bram en zij hadden Pa`s nabijheid op die dag zo duidelijk gevoeld. Nog steeds voelt ze zijn hand op haar hoofd toen hij haar en Bram zegende ten tijde van hun verkering.
Het rustig leventje in Jakarta dat ze daarna leiden. Tot die bewuste avond in September 1955 toen Bram gevraagd werd om de leiding van het weeshuis op zich te nemen. Er was geen geld in kas om de resterende 150 kinderen nog eten te geven. Weer hoort ze Bram's woedende stem toen hij besefte dat al Pa's bezittingen verdwenen waren. Hij dwong het toenmalig bestuur een schuldbekentenis te tekenen voor hij de leiding overnam. Vooral die eerste jaren waren niet makkelijk. Hoe vaak ze samen moedeloos op het terras van hun huis hebben gezeten. Tobbend over de vraag hoe ze alle kinderen driemaal per dag eten konden geven. En toch waren ze eruit gekomen. Als ze nu kijkt naar het gigantisch project wat er staat, dan gaat er zo`n trots gevoel door haar hele lichaam. Ze voelt zich ook één met de weeskinderen. Dat was wel heel anders geweest toen ze als klein kindje naar het weeshuis werd gebracht.
Het was als de dag van gisteren. Ze hoort het haar moeder weer zeggen: “Besok kita jalan2 naik mobil” (morgen gaan we toeren in een auto). Stralend had ze haar moeder aangekeken. Een auto moest wel iets bijzonders zijn. Misschien nog mooier dan het paard en wagen van Tjang haar grootmoeder.
Het dorpje Klepu lag te sidderen onder de tropische zon toen de zwarte sedan de volgende dag langzaam het smalle pad voor hun hutje op kwam rijden. Heel in de verte klonken de zachte tonen van gamelan muziek. Gecombineerd met het eenzame geluid van een bambu fluit uit de sawah, droeg het bij aan het mistroostige gevoel dat ze zelfs als kind die dag over het hele dorp aanvoelde. Zelfs de oeroude waringinboom, de nationale trots van het dorpje die met haar gigantische takken het hele erf als een parasol overdekte, liet als een in rouw gedompelde weduwe haar luchtwortels helemaal tot op de roodbruine aarde zakken. “Ga maar gauw in de auto zitten”. Haar moeder's altijd vriendelijke stem klonk nu een beetje gehaast. Met verbazing zag ze hoe haar grootmoeder zich gillend op de grond liet vallen toen de auto langzaam het erf verliet. “Waarom huilt Tjang” vroeg ze zachtjes.
“Tjang is een beetje verdrietig, maar dat gaat wel over als ze ziet dat je later goed kan lezen en schrijven”. Haar moeder begon opeens naar buiten te wijzen. “Kijk, het dorpje daar heet Swakul. Daar ben je geboren. En die gigantische schoorstenen, dat is de grootste Kretek sigarettenfabriek. En zie je die watervallen daar? Die geven water aan alle sawahs in de hele omgeving”. Haar moeder bleef aan één stuk door praten……
Ze moest in slaap zijn gevallen, want toen ze wakker werd, stonden ze stil voor een grote poort. Binnen werden ze begroet door een man met een witte baard. Hij streelde haar over haar hoofd. Daarna gingen ze met een magere mevrouw mee die haar een heleboel kleurpotloden gaf. Vol blijdschap over dit mooie kado, begon ze tegelijk te kleuren totdat het opeens doodstil werd in de kamer waar haar moeder met die mevrouw zat te praten Ze liep de kamer in en zag nog net dat haar moeder zachtjes wegliep. “Mammie……” ze rende op de deur af haar moeder achterna. “Mammie…… mammie………” met haar kleine handjes en voetjes schopte ze tegen de glazen deur totdat met een oorverdovend gerinkel alles over haar heen kwam. En toen werd het totaal zwart voor haar ogen. Die allesoverheersende eenzaamheid, dat intense verdriet en heimwee is de maanden daarna nooit weggegaan. Tot ook dat met de jaren wegviel en ze één van de duizenden kinderen van Pa van der Steur werd.
Later toen ze als volwassen meisje een bezoek bracht aan het eenvoudige dorpje en haar moeder voor het eerst weer terugzag, besefte ze pas hoe moedig het was geweest van deze vrouw om die stap te doen. Die middag in de desa toen ze samen door de sawah liepen en haar moeder met trillende stem haar verhaal vertelde, staat nog steeds haarscherp op haar netvlies gegrift.
Met piepende remmen stopt de zwarte sedan voor een gigantisch houten gebouw. Het is omringd door een hoog ijzeren hek. Grijnzend wijst Chironse, de chauffeur van de sedan naar het geschrift boven aan het hek: “verboden voor luiaards” leest hij hardop. “Pa van der Steur heeft beslist gevoel voor humor” zegt hij droog.
Vermoeid stapt Soelinah uit de auto. Het handje van haar kindje stevig in de hare geklemd, loopt ze de grote poort van het Tehuis van Pa van der Steur in. Behalve twee voetballende jongens, is het terrein totaal verlaten. Hijgend alsof ze hard heeft gelopen, loopt ze op hen af. “Ik zoek het kantoor van Pa van der Steur”. Zonder op te houden met spelen, knikt één van de jongens haar toe “jij zoeken Pa? Hij werken achter witte deur daar!” Soelinah volgt de richting van zijn hand. Langzaam loopt ze op de deur af. Krakend alsof het jaren geleden voor het laatst is ingeolied, gaat de deur open. Voor zich ziet ze een gigantische werktafel. Een blanke reus zit temidden van twee jongens te werken met stapels papier. Zijn mond zit verborgen achter een lange grijze baard. In zijn hand houdt hij een loep waarmee hij aandachtig de papiertjes bestudeerd. Als de deur opengaat, kijkt hij haar vriendelijk aan. Wat opvalt is de warmte die uit zijn ogen stralen.
Als verlamd staat Soelinah in de deuropening. Haar hart bonkt in haar keel. Ze voelt het handje van haar kind doodstil in haar eigen hand. Ze kan nu nog terug. Terug naar de desa waar haar moeder haar haar hele leven lang zal verwijten als ze dit kind aan deze vreemdeling afstaat.
Het begon al bij de geboorte. Uitgeput na 13 uren baren, ligt Soelinah op de baleh2 van haar hutje. Ze had wat ze gebaard had nauwelijks gezien. Alle vrouwen uit het dorp verdrongen elkaar om de ronde tampah heen waarop de baby lag. Vanuit haar ooghoeken zag ze dat iedereen het kind wilde aanraken. Totdat het geroezemoes met een ruk verstomde. Met gepaste afstand maakten ze plaats voor de impossante figuur die binnenkwam.
Mbok Kadji (Zus Hadji) boog zich over de tampah heen en kuste één van de voetjes van het babietje. Minutenlang bleef ze ernaar staren. Totdat ze zich langzaam omdraaide en op de baleh2 toeliep. “Hoe heet de baby?” vroeg ze zachtjes. “Katrien” als een zucht kwam het tussen Soelinah's vermoeide lippen door.
Peinzend keek Mbok Kadji neer op het tengere figuurtje. “Ik zal haar Trieniel noemen” zei ze glimlachend. “Soelinah, ik heb nog nooit zo'n mooie baby gezien. Haar huid is zo blank en haar ogen doen mij denken aan de diepblauwe zee van Java”
Voorzichtig boog ze zich voorover. Met een stem die geen tegenspraak dulde zei ze zacht doch duidelijk “Soelinah, geef mij dit kind! Ik beloof jou dat ik altijd goed voor haar zal zorgen. Ik zal haar later meenemen naar Mekah zodat ze ook hadji wordt. In ruil hiervoor geef ik je één van mijn huizen en een kwart van mijn sawahs”.
Het was doodstil in het hutje. Ademloos zaten alle vrouwen Soelinah aan te staren. Met brandende ogen keek Soelinah naar de in het wit gesluierde figuur. Alsof twee ijskoude handen haar keel langzaam dichtknepen, voelde Soelinah de verstikking over haar hele lichaam. In de doodstille kamer klonk haar fluisterende stem nauwelijks hoorbaar… “ik wil haar zelf verzorgen”
Boven alle tumult heen hoorde ze alleen het hartstochtelijk gehuil van Tjang, haar eigen moeder, die met twee handen in het haar vertwijfeld uitriep: “Je bent krankzinnig als je dit aanbod afslaat. Dit kind wordt verzorgd in weelde en rijkdom terwijl ze dicht bij ons blijft wonen”. Vermoeid met gesloten ogen schudde Soelinah koppig haar hoofd……
Weer ziet ze hoe het hele dorp haar met de nek heeft omgekeken. Het heeft een paar jaar geduurd eer iedereen weer een klein beetje normaal tegen haar deed…
En wat is ze nu in hemelsnaam van plan? Dit kind weggeven aan deze Hollander? Deze vreemdeling? Zal hij haar de toekomst kunnen geven die zijzelf nooit heeft gehad? Zal ze haar kind ooit nog terugzien? Zal ze die alleroverheersende pijn ooit nog kwijtraken? Warme tranen biggelen over haar wangen. Langzaam laat ze het kleine handje los. Als verdoofd loopt Soelinah op de man af. Met verstikte stem stameld ze: “ik…ik geef u mijn kind. Alstublieft… wilt U lief voor haar zijn?”
Is het echt 76 jaar geleden dat haar moeder haar bij Pa heeft gebracht? Als in een flimflits ziet Tine haar leven voorbijgaan. Dat ze toch nog steeds in zijn werk zit. Ze voelt zich ook zo verbonden met de kinderen. Nog steeds voelt ze mee met kinderen die huilend aan het hek zitten te rammelen als ze worden achtergelaten. Gelukkig dat het nu in dit weeshuis toch een beetje anders is. Huiselijker ook. De kindertjes die altijd zo blij zijn als ze haar zien. Met een glimlach denkt ze terug aan de kattekwaatstreken die Dewi heeft uitgehaald… Dewi's antwoord toen ze haar vroeg waar die grote bult op haar hoofd vandaankwam “Tante Tine, ik ben gisteren in een boom geklommen om djambu`s te jatten. Maar de buurman kwam op de boom af en toen ben ik naar beneden gevallen. De zak met fruit heb ik in de boom achtergelaten. Jammer hé…?”
Gelukkig dat ze haar alles durven vertrouwen. Dat was wel anders geweest in haar tijd. Een dreun met een houten klomp kon je krijgen als je je niet aan de regels hield. Alleen Pa genoot van hun streken. Door zijn lange baard kon je niet zien dat hij lachte. Het geluid kwam diep vanachter zijn keel vandaan. Hij had altijd plezier om hun kwajongensstreken.
Dat Bram Pa`s werk toch weer leven heeft ingeblazen. Hij voelde zich ook zo verantwoordelijk voor de kinderen. “jooo…… jullie moeten flink eten, daar wordt je groot en sterk van!” dat hongergevoel van de oorlog bleef hem als een trauma achtervolgen. De kinderen mochten vooral nooit tekort komen. Zelfs op zijn sterfbed bleef hij vragen of ze wel genoeg te eten hadden.
“Abraham Bernard, father of many children” staat er op zijn graf. Naast hun eigen drie kinderen, voelde hij zich echt de vader van al die weeskinderen.
Vertederd denkt ze terug aan zijn 70ste verjaardag. Adayanti haar kleindochter in Holland die het vertikte op opa's verjaardag te komen omdat ze haar vijfde verjaardag tussen haar eigen vriendjes wilde vieren. “Mamma ik ga niet mee!!”. Haar moeder die rennend de lunchpakketten voor school klaarmaakte en tussen neus en lippen antwoordde: “Liefje, we gaan met een groot vliegtuig, en je mag daar de hele tijd gaan kleuren en films kijken”. “Maar mag ik dan wel al mijn vriendjes meenemen in het vliegtuig?” “Kind…, je vader heeft niet zoveel centjes om iedereen mee te nemen, maar jouw verjaardag wordt daar echt heel leuk. Er zijn daar ook een heleboel kindertjes, en er komt een goochelaar…!” Adayanti lijkt tevreden! Maar voordat ze die ochtend de auto uitstapt om naar de kleuterklas te gaan kijkt ze haar moeder nogmaals vragend aan “Hoeveel kinderen zijn het dan, en van wie zijn ze?”.
Even staat Adayanti's moeder met een mond vol tanden. Hoe moet je in hemelsnaam binnen vijf minuten aan een kleuter uitleggen wat een weeskind is. Maar dan vind ze een briljante antwoord: “Het zijn er 150. En ze zijn allemaal van opa!”. zegt ze vol overtuiging. Tevreden omdat haar dochter blij huppelend de kleuter klas ingaat draait Adayanti`s moeder zich om… Totdat ze die middag wordt aangehouden door Steff, de vader van Adayanti's vriendje. “Joehoeoeoe……” roept hij van ver “denk je dat ik ook in dat land kan wonen?” Verbaasd kijkt ze hem aan “Wat bedoel je?” “Adayanti vertelde dat haar opa 150 kinderen heeft maar haar oma alleen maar drie. “Sodejuuu……!!! ik wist wel dat Indonesische mannen potentie hebben! Lijkt me geweldig om ook in dat paradijs te wonen!!” Grijnzend verteld ze hem het verhaal over de weeskindertjes. Steff fluit zachtjes tussen zijn tanden. “Wat een fantastisch verhaal joh! Lijkt me leuk om mijn verjaardag volgende week te vieren en geld te vragen als kadoo voor die kindertjes daar”…
“Mam….” wakker worden…“ je hebt onze vraag nog niet beantwoord!” Verbaasd wrijft Tine haar ogen uit. Haar ogen dwalen naar de foto van Pa aan de muur. Lieve Pa…… wat zou er van haar terecht zijn gekomen zonder hem. Haar moeder had toch gelijk gehad toen ze zei: “Eens zal het verdriet van Tjang overgaan als ze ziet dat je kan lezen en schrijven”. Peinzend kijkt ze haar kinderen aan. “Ach lieverds, wat is spectaculaire op deze leeftijd! Het enige wat ik wil is alle mensen bedanken die het weeshuis altijd hebben gesteund. Zonder hun hulp zou het niet geworden zijn tot wat het nu is.” “O.K. mam, we nodigen je uit om aanwezig te zijn op de volgende reunie in Holland zodat je alle sympathisanten kan bedanken. Je mag zelfs een gezelschapsdame meenemen, wat vind je daarvan?” “Soeratiiiii…… hoor je dat? Jij mag mee naar Holland!” blij klinkt Tine's stem door de keuken. “Wil je mij helpen mijn koffers te pakken? Vergeet die coltruien niet. Het is daar nog steeds erg koud in Juni. Wel 26 graden Celcius!” Glimlachend om mevrouw's stem die zo enthousiast klinkt, opent Soerati de klerenkast. Wat een geluk dat ze die onmogelijke harige kleding vorige week heeft gewassen. Ze had al zo'n vermoeden dat mevrouw die nodig zou hebben. Maar ze moet er niet aan denken om dit soort kleding aan te trekken. En dan ook nog met zo'n vliegtuig de lucht in. Het koud zweet breekt haar nu al uit… Morgen zal ze mevrouw zeggen om Maryan in haar plaats mee te nemen. Maryan is al even gek op dat koud land als mevrouw zelf. 26 graden Celcius…. brrrr……!!
© 2002 - www.pavandersteur.org - Alle rechten voorbehouden